“Daarom, zo zegt de HEERE: Wanneer jij terugkeert, zal Ik je doen terugkeren en je voor mijn aangezicht doen staan. Als jij iets kostbaars kan onttrekken aan wat geen waarde heeft, dan zul je als mijn mond zijn. Laten zij naar jou terugkeren, maar jij mag niet naar hen terugkeren.