Overvloedig leven, Efeziërs - deel 3

Dag 1 van 6 • Lezing van vandaag

Overdenking

Ons oude leven


We hebben in de eerste twee delen van het leesplan gezien dat in hoofdstuk 1 van de brief getoond wordt hoe groot God is en hoe gezegend we zijn in Christus. Wat we allemaal ontvangen hebben als zonen en dochters van onze hemelse Vader. Met als het meest kostbare: de inwoning van de Heilige Geest als onderpand van onze erfenis! Dat bracht Paulus tot een ander soort gebed dan dat wat wij wellicht zouden bidden, namelijk: bidden vanuit de voorzieningen in de hemel en niet vanuit de noden hier op aarde. Hij bidt om geestelijke ogen, om dat alles te zien. Om de Vader echt te kennen.


In het gedeelte van vandaag gaat Paulus naar ons verleden. Naar het ‘toen’. Hij kijkt naar onze oude staat van leven voordat we tot Christus waren gekomen. Dat doet hij in vers 1-3 om vervolgens in vers 4 weer te spreken over onze hemelse staat. Waarom doet hij dat? Waarom tóch even aandacht voor onze zondige staat uit het verleden? Zouden we ons niet voluit moeten richten op onze toekomst en het verleden vergeten en achter ons laten? 


Paulus, de genade-prediker bij uitstek, haalt af en toe ook zijn eigen verleden aan als vervolger van de kerk (zie Handelingen 22:4, 1 Korinthe 15:9). Niet om zichzelf te kleineren, maar om scherp te houden welke dramatische verandering er heeft plaatsgevonden vanwege Christus. Hoe krachtig de verandering is geweest. Hoe bevoorrecht hij is om kind van God te zijn. Om te benadrukken dat de opstanding voor ons ook echt nodig is en echt effect heeft. Anders gezegd: een foto van de ‘oude ik’ en een foto van de ‘nieuwe ik’ worden naast elkaar gelegd, zodat je tot de conclusie komt: wat een geweldige verandering!


Hij zet wat kenmerken van die oude, zondige mens op een rijtje:     



  • We waren geestelijk dood.    

  • We zondigden actief, zowel in onze gedachten, als in daden.    

  • We waren van nature kinderen onder de toorn van God, immers we waren niet verzoend met God.    

  • We luisterden naar wat de samenleving (die zonder God leeft) bepaalt en naar wat de duivel wil (die het geestelijk klimaat bepaalt).


Dat gold zowel voor de Joden (Paulus zegt in vers 3 immers: ‘wij’) als voor de heidenen (‘u’ in vers 1). Niemand is dus uitgezonderd.   



  • Weet jij waarom jij redding van Jezus nodig had? Kun je nog een oude foto, van je oude leven zonder God, beschrijven?  

  • Leef je met deze herinnering, of is voor jou eigenlijk nog steeds de oude foto de belangrijkste? Hoe komt dat?