Matteus 1
NLD1939

Matteus 1

1
1Geschiedboek van Jesus Christus, zoon van David, zoon van Abraham. 2Abraham won Isaäk. Isaäk won Jakob. Jakob won Juda en zijn broeders. 3Juda won Fares en Zara bij Tamar. Fares won Esron. Esron won Aram. 4Aram won Amminadab. Amminadab won Naässon. Naässon won Salmon. 5Salmon won Boöz bij Rachab. Boöz won Obed bij Rut. Obed won Jesse. Jesse won koning David. 6David won Sálomon bij de vrouw van Urias. 7Sálomon won Róboam. Róboam won Abias. Abias won Asaf. 8Asaf won Jósafat. Jósafat won Joram. Joram won Ozias. 9Ozias won Jóatam. Jóatam won Achaz. Achaz won Ezekias. 10Ezekias won Manasses. Manasses won Amon. Amon won Josias. 11Josias won Jekonias en zijn broeders omstreeks de tijd der wegvoering naar Babylon. 12En na de wegvoering naar Babylon won Jekonias Salátiël. Salátiël won Zoróbabel. 13Zoróbabel won Abióed. Abióed won Eljakim, Eljakim won Azor. 14Azor won Sadok. Sadok won Achim. Achim won Elióed. 15Elióed won Eleazar. Eleazar won Matan. Matan won Jakob. 16Jakob won Josef, den man van Maria, uit wie Jesus geboren is, die Christus genoemd wordt. 17Tezamen dus zijn er van Abraham tot David veertien geslachten, en van David tot de wegvoering naar Babylon veertien geslachten, en van de wegvoering naar Babylon tot den Christus veertien geslachten. 18De geboorte van Jesus Christus geschiedde aldus. Toen Maria zijn moeder verloofd was met Josef, werd zij, voordat ze gingen samenwonen, in gezegende toestand bevonden van den Heiligen Geest. 19Daar Josef, haar man, een rechtvaardige was, en haar niet te schande wilde maken, besloot hij, in stilte van haar te scheiden. 20Terwijl hij met die gedachte omging, zie, daar verscheen hem in een droom een engel des Heren, en sprak: Josef, zoon van David, vrees niet, Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want wat in haar is geboren, is van den Heiligen Geest. 21Ze zal een zoon baren, en ge zult Hem Jesus noemen; want Hij zal zijn volk verlossen van hun zonden. 22Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden wat de Heer gesproken heeft door den profeet, die zegt: 23“Zie, de maagd zal ontvangen, en een zoon baren; en men zal Hem Emmánuel noemen”; dat is vertaald: God met ons. 24Toen Josef uit de slaap was ontwaakt, deed hij zoals de engel des Heren hem had bevolen; en hij nam zijn vrouw tot zich. 25Maar hij bekende haar niet, totdat zij een zoon had gebaard; en hij noemde Hem Jesus.