Zoek resultaten voor: Johannes 19:1

  • JOHANNES 19:1 (BB)

    Toen nam Pilatus Jezus mee en liet Hem zweepslagen geven.

  • JOHANNES 19:10 (BB)

    Pilatus zei tegen Hem: "Zeg Je niets tegen mij? Weet Je dan niet dat ik de macht heb om Je te laten kruisigen, maar ook de macht heb om Je vrij te laten?"

  • JOHANNES 19:11 (BB)

    Jezus antwoordde: "U heeft die macht alleen omdat u die van boven heeft gekregen. Daarom heeft de man die Mij heeft verraden, een grotere schuld dan u."

  • JOHANNES 19:12 (BB)

    Vanaf dat moment probeerde Pilatus Hem vrij te laten. Maar de Joden schreeuwden: "Als u deze Man vrijlaat, bent u geen vriend van de keizer [ in Rome ]. Iemand die beweert dat hij koning is, is een vijand van de keizer [ en moet gedood worden ]."

  • JOHANNES 19:13 (BB)

    Toen Pilatus dit hoorde, liet hij Jezus naar buiten brengen. Hij ging op de stoel voor de rechtspraak zitten, op de stenen verhoging die 'Litostrotos' [ (= ‘stenen hoogte') ] wordt genoemd (in het Hebreeuws is dat 'Gabbata').

  • JOHANNES 19:14 (BB)

    Het was de dag van de voorbereiding op het Paasfeest, ongeveer twaalf uur 's middags. Hij zei tegen de Joden: "Kijk, hier is jullie koning!"

  • JOHANNES 19:15 (BB)

    Maar ze schreeuwden: "Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem!" Pilatus zei tegen hen: "Moet ik jullie koning dan kruisigen?" De leiders van de priesters antwoordden: "We hebben geen koning! We hebben alleen de keizer!"

  • JOHANNES 19:16 (BB)

    Toen gaf hij Hem aan de soldaten om Hem te kruisigen. Zij namen Jezus mee.

  • JOHANNES 19:17 (BB)

    Ze gingen naar de plaats die 'Schedelplaats' heet. In het Hebreeuws is dat 'Golgota.' Jezus moest Zelf het kruis dragen.

  • JOHANNES 19:18 (BB)

    Daar kruisigden ze Hem. Links en rechts van Hem kruisigden ze nog twee andere mannen. Zo hing Jezus in het midden.

  • JOHANNES 19:19 (BB)

    Pilatus liet een bord maken en op het kruis vastmaken. Daarop stond: 'Jezus van Nazaret, de koning van de Joden.'

  • JOHANNES 1:19 (BB)

    De Joodse leiders stuurden priesters en Levieten naar Johannes toe. Ze moesten hem vragen wie hij nu eigenlijk was.

  • MARKUS 1:19 (BB)

    Verderop zag Hij de broers Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs. Ze waren in hun boot de visnetten aan het herstellen.

  • 1 JOHANNES 2:19 (BB)

    Die mensen hoorden vroeger bij ons. Maar niet echt. Want als ze écht bij ons hadden gehoord, zouden ze bij ons zijn gebleven. Maar doordat ze niet bij ons bleven, werd duidelijk dat zij niet allemaal werkelijk bij ons horen.

  • 1 JOHANNES 3:19 (BB)

    Daaraan moet te zien zijn dat we uit de waarheid zijn geboren. En dan kunnen we een gerust geweten hebben.

  • 1 JOHANNES 4:19 (BB)

    Wij houden van God omdat Hij eerst van óns hield.

  • 1 JOHANNES 5:19 (BB)

    We weten dat we uit God zijn geboren en dat de hele wereld in de macht van de duivel is.