Psalmen 69:2-10 - Vergelijk alle vertalingen
Psalmen 69:2-10 STV (Statenvertaling (Importantia edition))
Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij. Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God. Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven. O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen. Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israëls! Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt. Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen. Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.
Psalmen 69:2-10 HSV (Herziene Statenvertaling)
Verlos mij, o God, want het water is tot aan de ziel gekomen. Ik ben gezonken in bodemloze modder, waarin men niet kan staan; ik ben gekomen in de waterdiepten en de vloed overspoelt mij. Ik ben moe van mijn roepen, mijn keel is ontstoken; mijn ogen zijn bezweken, omdat ik steeds hoop op mijn God. Wie mij zonder reden haten, zijn talrijker dan de haren van mijn hoofd; wie mij willen ombrengen en om valse redenen mijn vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik toch teruggeven. O God, Ú weet van mijn dwaasheid, mijn schulden zijn voor U niet verborgen. Laat door mij niet beschaamd worden wie U verwachten, Heere, HEERE van de legermachten; laat door mij niet te schande worden wie U zoeken, o God van Israël. Want ter wille van U draag ik smaad, schande heeft mijn gezicht bedekt. Een vreemde ben ik geworden voor mijn broeders, een onbekende voor de kinderen van mijn moeder. Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd; al de smaad van wie U smaden, is op mij gevallen.
Psalmen 69:2-10 NBG51 (NBG-vertaling 1951)
Verlos mij, o God, want het water is gekomen tot aan de lippen; ik ben verzonken in bodemloos slijk, waar ik niet kan staan; ik ben gekomen in diepe wateren, een vloed overstroomt mij. Ik ben moede door mijn roepen, mijn keel is hees, mijn ogen zijn bezweken van het uitzien naar mijn God. Talrijker dan de haren van mijn hoofd zijn zij die mij zonder oorzaak haten; machtig zijn zij die mij willen verdelgen, mijn valse vijanden; wat ik niet geroofd heb, moet ik toch teruggeven. O God, Gij kent mijn verdwaasdheid, mijn schuldige daden zijn voor U niet verborgen. Laten om mij niet beschaamd worden wie U verwachten, Here HERE der heerscharen; laten om mij niet schaamrood worden wie U zoeken, o God van Israël. Want om Uwentwil draag ik smaad, bedekt schaamte mijn gelaat. Ik ben een vreemde geworden voor mijn broeders, een onbekende voor de zonen van mijn moeder; want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd, en de smaadwoorden van wie U smaden, kwamen op mij neder.
Psalmen 69:2-10 HTB (Het Boek)
Bevrijd mij, o God, want het water stijgt mij naar de lippen. Ik zak weg in het moeras en kan er niet staan. Ik sta in water waar ik de bodem niet kan voelen en het stroomt over mijn hoofd. Ik ben moe van het roepen en mijn keel is schor. Mijn ogen zijn moe van het uitkijken naar mijn God. De mensen die mij haten, zijn niet te tellen, het zijn er meer dan de haren op mijn hoofd. En er is geen reden voor hun haat. Mijn tegenstanders, die mij willen vernietigen, zijn zo machtig. Ik moet hun teruggeven wat ik niet van hen heb geroofd. O God, U kent mij, een klein en dwaas mens. U ziet al mijn zonden. Niets is voor U verborgen. Laten uw volgelingen niet door mij hun vertrouwen in U kwijtraken, Oppermachtige HERE, U die Heer bent over de hemelse legers. O God, laten de mensen die U zoeken, niet door mijn toedoen in U beschaamd worden. Ter wille van U verdraag ik de schande. Ik bedek mijn gezicht uit schaamte. Mijn vrienden kennen mij niet meer en mijn broers herkennen mij niet. Van mijzelf blijft niets over, omdat ik alles geef voor uw huis. De beledigingen van hen die U haten, kwamen op mij terecht.
Psalmen 69:2-10 BB (BasisBijbel, de bijbel in makkelijk Nederlands)
Red mij, God, want ik ben in groot gevaar! Het water staat mij tot aan de lippen! Ik voel me alsof ik in een moeras ben weggezakt, in diepe modder waarin ik niet meer kan staan. Het is alsof ik in diep water ben gevallen en de golven over mij heen slaan. Ik ben moe van het roepen. Mijn keel doet er pijn van. Mijn ogen branden, moe van het uitkijken naar God. Ik heb veel meer vijanden dan haren op mijn hoofd. Ze haten me zonder enige reden. Ze zijn machtig geworden en willen me doden. Ik moet aan hen teruggeven wat ik nooit van hen gestolen heb. God, U weet dat ik een dwaas ben geweest. U weet wat ik voor slechts heb gedaan. Maar Heer van de hemelse legers, God van Israël, zóveel mensen vertrouwen op U. Stel hén niet teleur omdat ík verkeerd tegen U heb gedaan. Omdat ik U wil dienen, word ik beledigd en voor gek gezet. Mijn broers doen alsof ze me niet kennen. Mijn bloedeigen broers doen alsof ik een vreemde ben! En dat doen ze omdat ik alles over heb voor U en uw heiligdom. De scheldwoorden waarmee de mensen U beledigen, raken ook mij!