Psalmen 69:1-37 - Vergelijk alle vertalingen

Psalmen 69:1-37 STV (Statenvertaling (Importantia edition))

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim. Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij. Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God. Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven. O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen. Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israëls! Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt. Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen. Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen. En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad. En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden. Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken. Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils. Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren. Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten. Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden. En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij. Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil. Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U. De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden. Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven. Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik. Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen. Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan. Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner. Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden. Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid. Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek. Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken. En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt. De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven. Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet. Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeën, en al wat daarin wriemelt. Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten; En het zaad Zijner knechten zal haar beërven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen.

Psalmen 69:1-37 HSV (Herziene Statenvertaling)

Verlos mij, o God, want het water is tot aan de ziel gekomen. Ik ben gezonken in bodemloze modder, waarin men niet kan staan; ik ben gekomen in de waterdiepten en de vloed overspoelt mij. Ik ben moe van mijn roepen, mijn keel is ontstoken; mijn ogen zijn bezweken, omdat ik steeds hoop op mijn God. Wie mij zonder reden haten, zijn talrijker dan de haren van mijn hoofd; wie mij willen ombrengen en om valse redenen mijn vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik toch teruggeven. O God, Ú weet van mijn dwaasheid, mijn schulden zijn voor U niet verborgen. Laat door mij niet beschaamd worden wie U verwachten, Heere, HEERE van de legermachten; laat door mij niet te schande worden wie U zoeken, o God van Israël. Want ter wille van U draag ik smaad, schande heeft mijn gezicht bedekt. Een vreemde ben ik geworden voor mijn broeders, een onbekende voor de kinderen van mijn moeder. Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd; al de smaad van wie U smaden, is op mij gevallen. Ik weende, terwijl mijn ziel vastte, maar het werd mij tot allerlei smaad. Ik deed een rouwgewaad aan als mijn kleed, maar ik werd hun tot een spreekwoord. Wie in de poort zitten, praten over mij, ik ben een spotlied van wie sterkedrank drinken. Maar wat mij betreft, mijn gebed richt zich tot U, HEERE; er is een tijd van welbehagen, o God, vanwege Uw grote goedertierenheid; verhoor mij in de trouw van Uw heil. Ontruk mij aan het slijk en laat mij niet wegzinken, laat mij gered worden van wie mij haten, en uit de waterdiepten. Laat de watervloed mij niet overspoelen, de diepte mij niet verslinden, de put zijn mond boven mij niet sluiten. Verhoor mij, HEERE, want Uw goedertierenheid is rijk; zie mij aan naar Uw grote barmhartigheid. Verberg Uw aangezicht niet voor Uw dienaar, want de angst benauwt mij; verhoor mij spoedig. Nader tot mijn ziel, bevrijd haar; verlos mij omwille van mijn vijanden. Ú kent mijn smaad en mijn schaamte en mijn schande; allen die mij benauwen, zijn U bekend. Smaad heeft mijn hart gebroken en ik ben zeer zwak; ik heb gewacht op medeleven, maar het is er niet, op troosters, maar ik heb ze niet gevonden. Ja, zij hebben mij gal als mijn voedsel gegeven, in mijn dorst hebben zij mij zure wijn laten drinken. Laat hun tafel voor hen tot een strik worden en voor hun gasten tot een val. Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien; doe hun heupen voortdurend wankelen. Stort over hen Uw gramschap uit, laat Uw brandende toorn hen treffen. Laat hun tentenkamp verwoest worden, in hun tenten geen bewoner zijn. Want wie Ú geslagen hebt, vervolgen zij, en zij spreken spottend over de smart van wie U verwondde. Voeg misdaad bij hun misdaad, laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid. Laat hen uitgewist worden uit het boek des levens, laat hen bij de rechtvaardigen niet opgeschreven worden. Ik echter ben ellendig en lijd pijn; laat Uw heil, o God, mij in een veilige vesting zetten. Ik zal Gods Naam loven met gezang en Hem met dankzegging groot maken. Het zal de HEERE aangenamer zijn dan een rund of een jonge stier met hoornen en gespleten hoeven. Als de zachtmoedigen dit zien, zullen zij zich verblijden; u die God zoekt, uw hart zal leven. Want de HEERE hoort de armen, Hij veracht Zijn gevangenen niet. Laten hemel en aarde Hem loven, de zeeën en al wat daarin krioelt. Want God zal Sion verlossen en de steden van Juda herbouwen; daar zullen zij wonen en het bezitten. Het nageslacht van Zijn dienaren zal het in erfelijk bezit krijgen; wie Zijn Naam liefhebben, zullen daarin wonen.

Psalmen 69:1-37 NBG51 (NBG-vertaling 1951)

Verlos mij, o God, want het water is gekomen tot aan de lippen; ik ben verzonken in bodemloos slijk, waar ik niet kan staan; ik ben gekomen in diepe wateren, een vloed overstroomt mij. Ik ben moede door mijn roepen, mijn keel is hees, mijn ogen zijn bezweken van het uitzien naar mijn God. Talrijker dan de haren van mijn hoofd zijn zij die mij zonder oorzaak haten; machtig zijn zij die mij willen verdelgen, mijn valse vijanden; wat ik niet geroofd heb, moet ik toch teruggeven. O God, Gij kent mijn verdwaasdheid, mijn schuldige daden zijn voor U niet verborgen. Laten om mij niet beschaamd worden wie U verwachten, Here HERE der heerscharen; laten om mij niet schaamrood worden wie U zoeken, o God van Israël. Want om Uwentwil draag ik smaad, bedekt schaamte mijn gelaat. Ik ben een vreemde geworden voor mijn broeders, een onbekende voor de zonen van mijn moeder; want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd, en de smaadwoorden van wie U smaden, kwamen op mij neder. Ik weende onder het vasten van mijn ziel, maar het werd mij tot diepe smaad; ik maakte een rouwgewaad tot mijn kleed, maar ik werd hun tot een spreekwoord. Wie in de poort zitten, praten over mij, – en een spotlied van drinkers. Maar mijn gebed is tot U, HERE, ten tijde des welbehagens; o God, antwoord mij naar uw grote goedertierenheid met uw trouwe hulp. Red mij uit het slijk, opdat ik niet verzinke, laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepe wateren. Laat de watervloed mij niet overstromen, noch de diepte mij verslinden, noch de put zijn mond boven mij toesluiten. Antwoord mij, o HERE, want rijk is uw goedertierenheid, wend U tot mij naar uw grote barmhartigheid, verberg uw aangezicht niet voor uw knecht, want het is mij bang te moede; antwoord mij haastelijk. Nader tot mijn ziel, bevrijd haar, verlos mij om mijner vijanden wil. Gij, Gij kent mijn smaad, mijn schaamte en mijn schande; allen die mij benauwen, staan vóór U. De smaad heeft mij het hart gebroken, en ik ben verzwakt. Ik wachtte op een teken van medelijden, maar tevergeefs, op troosters, maar ik vond hen niet. Ja, zij gaven mij gif tot spijze, en lieten mij in mijn dorst azijn drinken. Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en hun genoten tot een val. Laten hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien, doe hun lendenen bestendig wankelen; stort over hen uw gramschap uit, en de gloed van uw toorn achterhale hen. Hun kamp worde tot woestenij, in hun tenten zij geen bewoner. Want wie Gij hebt geslagen, vervolgen zij, zij doen verhalen over de smart der door U gewonden. Voeg schuld bij hun schuld, zodat zij niet komen tot uw rechtvaardiging. Laten zij uit het boek des levens worden uitgedelgd, met de rechtvaardigen niet worden opgeschreven. Maar ik ben ellendig en in smart, uw heil, o God, bescherme mij. Ik zal de naam van God prijzen met een lied, Hem verheerlijken met een lofzang; dat zal de HERE meer behagen dan een rund, dan een stier met horens en hoeven. De ootmoedigen zullen het zien, zij zullen zich verheugen; gij, die God zoekt, uw hart leve op. Want de HERE hoort naar de armen, en zijn gevangenen veracht Hij niet. Dat hemel en aarde Hem loven, de zeeën en al wat daarin wemelt. Want God zal Sion verlossen en de steden van Juda bouwen, opdat zij daar wonen en het bezitten; het kroost van zijn knechten zal het beërven, en wie zijn naam liefhebben, zullen daarin wonen.

Psalmen 69:1-37 HTB (Het Boek)

Bevrijd mij, o God, want het water stijgt mij naar de lippen. Ik zak weg in het moeras en kan er niet staan. Ik sta in water waar ik de bodem niet kan voelen en het stroomt over mijn hoofd. Ik ben moe van het roepen en mijn keel is schor. Mijn ogen zijn moe van het uitkijken naar mijn God. De mensen die mij haten, zijn niet te tellen, het zijn er meer dan de haren op mijn hoofd. En er is geen reden voor hun haat. Mijn tegenstanders, die mij willen vernietigen, zijn zo machtig. Ik moet hun teruggeven wat ik niet van hen heb geroofd. O God, U kent mij, een klein en dwaas mens. U ziet al mijn zonden. Niets is voor U verborgen. Laten uw volgelingen niet door mij hun vertrouwen in U kwijtraken, Oppermachtige HERE, U die Heer bent over de hemelse legers. O God, laten de mensen die U zoeken, niet door mijn toedoen in U beschaamd worden. Ter wille van U verdraag ik de schande. Ik bedek mijn gezicht uit schaamte. Mijn vrienden kennen mij niet meer en mijn broers herkennen mij niet. Van mijzelf blijft niets over, omdat ik alles geef voor uw huis. De beledigingen van hen die U haten, kwamen op mij terecht. Ik huilde terwijl mijn hele hart zich op U richtte, maar het werd mij als schande aangerekend. Ik trok rouwkleding aan, maar zij lachtten mij uit. De leiders van de stad praten met elkaar over mij en tijdens drinkgelagen drijven zij de spot met mij. Maar ik zal op de juiste tijd tot U bidden, HERE, o God, geef mij uw trouwe hulp als een antwoord daarop in uw goedheid en liefde. Trek mij uit dit moeras, voordat ik zink. Red mij van mijn haters en uit dit diepe water. Zorg toch dat het water mij niet boven het hoofd stijgt, dat ik niet naar de bodem word getrokken en verdrink. Geef mij antwoord, HERE, want ik weet hoe groot uw goedheid en trouw zijn. Kom naar mij toe met uw liefdevolle ontferming. Verberg U niet voor mij, ik ben uw dienaar en ik ben vreselijk bang. Antwoord mij toch snel! Kom naar mij toe en bevrijd mij. Verlos mij, zodat mijn tegenstanders beschaamd staan. U ziet toch hoe ik word bespot, hoe beschaamd ik ben en tot schande gemaakt. U weet precies wie mij dit allemaal aandoen. De spot breekt mijn hart en ik ben nog maar heel zwak. Ik verwachtte medelijden te ontmoeten, maar vond het niet. Tevergeefs wachtte ik op iemand die mij troostte. Zij gaven mij gif te eten en lieten mij, toen ik dorst had, azijn drinken. Laat het lekkere eten een valstrik voor hen worden en laat hun tafelgenoten hen verraden. Verslechter hun ogen, zodat zij niets meer kunnen zien. Geef dat hun heupen verzwakken, zodat zij niet meer kunnen lopen. Stort uw toorn over hen uit, laat de gloed daarvan hen vernietigen. Verander hun woonplaats in een woestenij en maak hun tenten onbewoond. Want wie door U wordt geslagen, wordt door hen achtervolgd. Zij sturen verhalen de wereld in over het verdriet van hen die door U werden getroffen. Laat hun schuld maar hand over hand toenemen, zodat zij geen aanspraak kunnen maken op uw gerechtigheid. Verwijder hun namen uit uw boek, waarin ieder vermeld staat die bij U hoort. Zorg dat hun naam niet naast die van een gelovige staat. Ik verkeer in grote ellende en groot verdriet. Laat uw heil mij beschermen, o God. Ik zal een loflied zingen en de naam van God prijzen. Ik zal Hem roemen door de liederen die ik tot zijn eer zing. Dat zal de HERE meer vreugde geven dan een rund of een stier met horens en hoeven. Zij die zich dankbaar aan God onderwerpen, zullen het zien en zich erover verheugen. U die God zoekt, zult er nieuwe moed uit putten. Want de HERE luistert wel naar de armen die Hem aanroepen en Hij ziet niet neer op de mensen die gevangen zitten. Laat de hele schepping, hemel, aarde en zeeën, Hem eer brengen en prijzen. Want God zal Jeruzalem bevrijden en de steden van Juda weer opbouwen. Dan zullen zij weer daarin wonen en het land opnieuw bezitten. De kinderen van zijn dienaren zullen het land erven en het zal worden bewoond door mensen die zijn naam liefhebben.

Psalmen 69:1-37 BB (BasisBijbel, de bijbel in makkelijk Nederlands)

Een lied van David, op de wijs van: 'De lelies'. Voor de leider van het koor. Red mij, God, want ik ben in groot gevaar! Het water staat mij tot aan de lippen! Ik voel me alsof ik in een moeras ben weggezakt, in diepe modder waarin ik niet meer kan staan. Het is alsof ik in diep water ben gevallen en de golven over mij heen slaan. Ik ben moe van het roepen. Mijn keel doet er pijn van. Mijn ogen branden, moe van het uitkijken naar God. Ik heb veel meer vijanden dan haren op mijn hoofd. Ze haten me zonder enige reden. Ze zijn machtig geworden en willen me doden. Ik moet aan hen teruggeven wat ik nooit van hen gestolen heb. God, U weet dat ik een dwaas ben geweest. U weet wat ik voor slechts heb gedaan. Maar Heer van de hemelse legers, God van Israël, zóveel mensen vertrouwen op U. Stel hén niet teleur omdat ík verkeerd tegen U heb gedaan. Omdat ik U wil dienen, word ik beledigd en voor gek gezet. Mijn broers doen alsof ze me niet kennen. Mijn bloedeigen broers doen alsof ik een vreemde ben! En dat doen ze omdat ik alles over heb voor U en uw heiligdom. De scheldwoorden waarmee de mensen U beledigen, raken ook mij! Als ik treur en niets eet omdat ik naar U verlang, lachen ze mij daarom uit. Als ik rouwkleren aantrek, maken ze grappen over mij. In de stadspoort wordt er over me gepraat. Waar gedronken wordt, maken ze spotliedjes over me. Maar ik bid tot U, Heer. Antwoord mij alstublieft, want ik houd van U. God, help me alstublieft, want U bent goed en liefdevol. Trek me uit dit moeras, zodat ik er niet in wegzink. Red mij van de mensen die me haten, red mij uit het diepe water. Zorg dat de golven mij niet wegspoelen, dat het water mij niet opslokt, dat de modder zich niet boven mij sluit. Antwoord mij, Heer, want U bent goed en liefdevol! Kom naar mij toe en red me. Heb medelijden met me. Doe niet langer alsof U er niet bent. Antwoord mij alstublieft gauw! Want ik ben in groot gevaar. Kom mij redden. Bevrijd mij van mijn vijanden. U weet hoe vreselijk ze me behandelen, hoe ik aldoor word beledigd. U weet wie mijn vijanden zijn. Ik word zó belachelijk gemaakt, dat het mijn hart breekt. Ik kán niet meer. Ik hoopte op een klein beetje medelijden, maar dat was er niet. Ik hoopte dat iemand me zou troosten, maar er was niemand. Het is alsof ze me bittere gal te eten geven, alsof ze me azijn te drinken geven. Heer, laat hun maaltijden een valkuil worden voor henzelf en voor hun vrienden. Maak hen blind, zodat ze niets meer kunnen zien. Maak hen zó zwak, dat ze niet meer kunnen staan. Straf hen, koel uw woede op hen! Laat hen niet ontsnappen. Verwoest hun huizen en hun akkers. Zorg dat er niemand meer woont. Want ze achtervolgen mij: zo straft U mij. Ze lachen met elkaar over mijn pijn. Tel al hun slechte daden bij elkaar op, dan kunnen ze nooit vrijgesproken worden. Haal hun namen weg uit uw Boek van het leven. Schrijf hen niet op in het Boek met de namen van de mensen die leven zoals U het wil. God, ik ben er ellendig aan toe. Bescherm me alstublieft en red me! Dan zal ik U prijzen met een lied. Ik zal een danklied voor U zingen. Daar geniet U meer van dan van een prachtige stier met mooie horens die ik aan U offer. Mensen die leven zoals U het wil, zullen het zien en er blij over zijn. Mensen die op U vertrouwen, zullen weer blij zijn. Want U luistert naar mensen in nood. Gevangenen zijn voor U niet te onbelangrijk. Prijs Hem, hemel en de aarde, prijs Hem, zeeën, met alles wat in je leeft. Want God zal Jeruzalem bevrijden. Hij zal de steden van Juda weer opbouwen. De mensen zullen er weer kunnen wonen. Ze zullen het land weer bezitten. De kinderen van Gods dienaren zullen het land bezitten. De mensen die van Hem houden, zullen er wonen.