Job 38
NBG51
38
Des Heren eerste antwoord aan Job: Zijn almacht in de schepping en zijn voorzienigheid
1Toen antwoordde de Here Job uit een storm en zeide:
2Wie is het toch, die het raadsbesluit verduistert
met woorden zonder verstand?
3Gord nu als een man uw lendenen,
dan wil Ik u ondervragen, opdat gij Mij onderricht.
4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte?
Vertel het, indien gij inzicht hebt!
5Wie heeft haar afmetingen bepaald? Gij weet het immers!
Of wie heeft over haar het meetsnoer gespannen?
6Waarop zijn haar pijlers neergelaten,
of wie heeft haar hoeksteen gelegd,
7terwijl de morgensterren tezamen juichten,
en al de zonen Gods jubelden?
8Wie heeft de zee met deuren afgesloten,
toen zij bruisend uit de moederschoot kwam? –
9toen Ik wolken maakte tot haar kleed
en duisternis tot haar windselen;
10toen Ik de door Mij gestelde grens uitbrak,
grendel en deuren aanbracht;
11toen Ik sprak: Tot hiertoe en niet verder zult gij komen,
hier zal de trots uwer golven blijven staan!
12Hebt gij ooit in uw leven de morgen ontboden,
de dageraad zijn plaats aangewezen,
13om de zomen der aarde aan te grijpen,
zodat de goddelozen van haar worden afgeschud?
14Zij verandert zich als leem, waarin een zegel wordt gedrukt,
de dingen staan daar als in een kleed.
15Dan wordt de goddelozen hun licht ontnomen,
en de opgeheven arm wordt gebroken.
16Zijt gij doorgedrongen tot de bronnen der zee,
en hebt gij door de geheimenissen van de waterdiepte gewandeld?
17Zijn de poorten des doods voor u onthuld,
en hebt gij de poorten der diepe duisternis aanschouwd?
18Reikt uw begrip zover als de breedte der aarde?
Vertel het, indien gij dit alles weet!
19Waar is de weg naar de woning van het licht,
en de duisternis, waar is haar verblijf,
20zodat gij haar brengen kunt naar haar gebied,
en de paden naar haar huis kent?
21Gij zult dat wel weten, want toen werdt gij geboren
en het getal uwer dagen is groot!
22Zijt gij doorgedrongen tot de schatkamers van de sneeuw?
En hebt gij de schatkamers van de hagel gezien,
23die Ik heb opgespaard voor de tijd van benauwdheid,
voor de dag van strijd en oorlog?
24Waar is de weg naar de plaats waar het licht zich verdeelt,
vanwaar de oostenwind zich verbreidt over de aarde?
25Wie heeft voor de stortvloed een geul gegraven
en een weg voor de bliksemschichten,
26om regen te geven op het onbewoonde land,
op de steppe, waar geen mens is,
27om woestijn en woestenij te verzadigen
en de spruiten van het jonge groen te doen ontluiken?
28Heeft de regen een vader?
Of wie heeft de dauwdruppelen verwekt?
29Uit wier schoot komt het ijs te voorschijn,
en de rijp des hemels, wie baart die?
30Als tot steen verdichten zich de wateren,
en de vlakte van de watervloed sluit zich aaneen.
31Kunt gij de banden der Pleiaden binden,
of de boeien van de Orion slaken?
32Doet gij de tekens van de Dierenriem te rechter tijd opgaan,
en bestuurt gij de Beer met zijn jongen?
33Kent gij de inzettingen des hemels,
bepaalt gij zijn heerschappij over de aarde?
34Kunt gij uw stem tot de wolken verheffen,
zodat een stroom van water u bedekt?
35Kunt gij de bliksemen uitzenden, zodat zij heengaan
en tot u zeggen: Hier zijn wij?
36Wie heeft wijsheid gelegd in de donkere wolken
of wie heeft inzicht verleend aan de grillige wolkengevaarten?
37Wie telt de wolken met wijsheid af,
en wie keert de kruiken des hemels om,
38wanneer het stof stolt tot gegoten metaal
en de kluiten aan elkander kleven?