1 Korinthiërs 11
NBG51
11
1Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg.
De hoofdtooi der vrouw
2Ik prijs het in u, dat gij in alles aan mij gedachtig blijft en aan de overleveringen zó vasthoudt, als ik ze u overgegeven heb.
3Ik wil echter, dat gij dit weet: het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God. 4Iedere man, die bidt of profeteert met gedekten hoofde, doet zijn hoofd schande aan. 5Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is. 6Want indien een vrouw zich het hoofd niet dekt, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen. Doch indien het een schande is voor een vrouw, als zij zich het haar laat afknippen of zich kaal laat scheren, dan moet zij zich dekken. 7Want een man moet het hoofd niet dekken: hij is het beeld en de heerlijkheid Gods, maar de vrouw is de heerlijkheid van de man. 8Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. 9De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. 10Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen. 11En toch, in de Here is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw. 12Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; alles is echter uit God. 13Oordeelt zelf: is het voegzaam, dat een vrouw met ongedekten hoofde tot God bidt? 14Leert de natuur zelf u niet, dat, indien een man lang haar draagt, dit een schande voor hem is, 15doch dat, indien een vrouw lang haar draagt, dit een eer voor haar is? Immers, het haar is haar tot een sluier gegeven.
16Maar, indien het er iemand om te doen is gelijk te hebben, wij hebben zulk een gewoonte niet, en evenmin de gemeenten Gods.
Misbruiken bij het Avondmaal
17Nu ik dit voorschrijf, moet ik er (tevens mijn) afkeuring over uitspreken, dat uw samenkomsten niet tot zegen, maar tot schade zijn. 18Want vooreerst is er, naar ik hoor, wanneer gij als gemeente samenkomt, verdeeldheid onder u, en ten dele geloof ik dit. 19Want scheuringen moeten er wel onder u zijn, zal het blijken, wie onder u de toets kunnen doorstaan.
20Wanneer gij dan bijeenkomt, is dat niet het eten van de maaltijd des Heren; 21want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen deel, zodat de een hongerig is en de ander dronken. 22Hebt gij dan geen huizen om te eten en te drinken? Of minacht gij (zózeer) de gemeente Gods, dat gij de behoeftigen beschaamd maakt? Wat zal ik tot u zeggen? Zal ik u prijzen? Op dit punt prijs ik niet. 23Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam, 24de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis. 25Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis. 26Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt. 27Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren. 28Maar ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker. 29Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt. 30Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen. 31Indien wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet onder het oordeel komen. 32Maar onder het oordeel des Heren worden wij getuchtigd, opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden. 33Daarom, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, wacht op elkander. 34Heeft iemand honger, laat hij thuis eten, opdat gij niet tot uw oordeel bijeenkomt.
Het overige zal ik regelen, wanneer ik kom.