Job 10
NBG51

Job 10

10
Jobs eerste antwoord aan Bildad (vervolg): Wat bedoelt God met zoveel lijden?
1Mijn ziel heeft een afschuw van het leven,
ik wil mijn klacht de vrije loop laten,
spreken in de bitterheid mijner ziel.
2Ik zal tot God zeggen: Veroordeel mij niet;
laat mij weten, waarom Gij U tegen mij keert.
3Brengt het U voordeel, dat Gij verdrukt,
dat Gij verwerpt het gewrocht uwer handen
en over de raad der goddelozen licht laat stralen?
4Hebt Gij dan vleselijke ogen,
ziet Gij zoals stervelingen zien?
5Zijn uw dagen als die van een sterveling,
uw jaren als de dagen van een man,
6dat Gij naar mijn ongerechtigheid zoekt
en speurt naar mijn zonde,
7hoewel Gij weet, dat ik niet schuldig ben,
en dat niemand uit uw hand kan redden?
8Uw handen hebben mij gewrocht en gevormd,
geheel en volledig; en wilt Gij mij in het verderf storten?
9Bedenk toch, dat Gij mij als leem hebt gevormd,
en wilt Gij mij tot stof doen wederkeren?
10Hebt Gij mij niet als melk uitgegoten,
en mij als kaas laten stremmen,
11met huid en vlees mij bekleed,
met beenderen en spieren mij doorweven?
12Leven en genade hebt Gij mij geschonken,
en uw zorg heeft mijn geest bewaakt.
13Maar dit hadt Gij in uw hart verborgen –
ik weet, dat Gij dit van zins waart –:
14wanneer ik zou zondigen, dan zoudt Gij mij waarnemen
en mij van mijn ongerechtigheid niet vrijspreken.
15Indien ik schuldig stond – wee mij!
en was ik onschuldig – ik zou, zat van smaad,
en ziende op mijn ellende,
mijn hoofd niet kunnen opheffen.
16Zou het zich verheffen, dan zoudt Gij als een leeuw
jacht op mij maken,
en uw wondermacht tegen mij opnieuw tonen.
17Steeds nieuwe getuigen zoudt Gij tegen mij oproepen,
uw wrevel tegen mij steeds vergroten –
troepen, ja een leger tegen mij!
18Maar waarom deedt Gij mij uit de moederschoot voortkomen,
gaf ik de geest niet, eer een oog mij zag?
19Ik zou dan zijn, alsof ik niet geweest ware;
van de moederschoot zou ik grafwaarts zijn gedragen.
20Zijn de dagen mijns levens niet weinige? Laat van mij af,
opdat ik een weinig vreugde beleve,
21voordat ik heenga, zonder terug te keren,
naar het land van donkerheid en diepe duisternis,
22het stikdonkere land, waar diepe duisternis en wanorde heersen
en waar het licht gelijk is aan de duisternis.
Netherlands Bible SocietyLearn More About NBG-vertaling 1951